| Pem
Sluijter: Een laat maar opgemerkt debuut
Door:
Joris Gerits
Pem
Sluijter werd in 1939 geboren en debuteerde in 1997
met Roos is een bloem [1]
. Die bundel werd onmiddellijk, en terecht, bekroond
niet de C. Buddingh'-prijs voor nieuwe poëzie.
Aan het woord is een zelfbewuste dichteres, die in het
gedicht met de titel 'Emily Dickinson' [2]
haar poëtisch credo als volgt formuleert:
Ik
kan mijn verzen
voor
zich spreken laten.
Zij
hebben niet van node
een
zedenmeester, geleerde,
wijsgeer,
leraar taal.
Ik
laat mijn verzen vrij,
van
elke dwang ontdaan,
vooral
van intellect:
Veel
waan
is
schoonste logica.
(blz.
46)
Op
het gevaar af versleten te worden voor een van de personages
die ze in de vierde en de vijfde regel opsomt, schrijf
ik toch maar verder aan het verslag van mijn lectuur
van haar gedichten. Behalve het pas geciteerde gedicht
bevat Roos is een bloem nog één
expliciet poëticaal gedicht, 'Stellend woord',
waarvan de eerste strofe luidt:
Dwars
door
de
dwarsdoorsneden weiden,
reis
ik naar je toe
gedicht.
(blz.
34)
Hieruit
blijkt dat haar verzen veel minder aan een formele dwang
en bewuste talige ingrepen ontsnappen dan ze suggereert
in 'Emily Dickinson'. Gelukkig maar, zou ik zeggen,
want juist door die bedachte ingrepen krijgen schijnbaar
onbenullige voorvallen een extra dimensie die je als
lezer verrast. Hoe met zo weinig woorden en zulke karige
middelen, zo veel wereld en betekenis kan ont- staan,
besef je dan plots.
Dat
is o.m. het geval in'Tuin':
Het
blad, de bloemen
van
de stengelogen,
is
van natuur .
Dit
is het uur van tuin
dat
onder bloemen kruipt
en
in de bedding
ruikt
het nat.
De
voordeurbel slaat aan.
De
glazenwasser vraagt
om
water.
Die
in dit uur wou zijn,
wijst
hem de kraan.
(blz.
17)
Pem
Sluijter schrijft hier een Nederlands dat Herman de
Coninck omschreven heeft als een taal die zich zo snel
mogelijk naar een pointe toewerkt en 'liefst zonder
al die kleine hinderlijke partikeltjes en lidwoorden'
(De vliegende keeper, blz. 178). Lees de tweede strofe
nog maar eens opnieuw. Bovendien gebruikt de dichteres
in diezelfde tweede strofe een apo-koinou-constructie,
een door de Vijftigers al geliefd procédé
om dubbel zinnigheid te genereren. 'en in de bedding'
scharniert immers tussen zijn vorige en volgende regel,
wat op z'n minst twee lezingen oplevert. We kunnen stoppen
na 'bedding' en lezen: 'Dit is het uur van tuin / dat
onder bloemen kruipt / en in de bedding'. Maar we kunnen
ook stoppen na 'kruipt' en de volgende regels lezen
als een nevengeschikte zin: 'Dit is het uur van tuin
/ dat onder bloemen kruipt // en in de bedding ruikt
het nat'. En is 'het' in de laatste regel een zgn. loos
onderwerp of een verwijzing naar 'het uur'? Wat moet
ik mij trouwens voorstellen bij 'het uur dat nat ruikt'?
Is er een verband met de glazenwasser uit de slotstrofe
en met degene 'die in dit uur wou zijn'? En zo ja, wat
is dat verband? Ik weet wel dat op blz. 46 staat 'Ik
kan mijn verzen / voor zich spreken laten', maar vanzelfsprekend
zijn ze in het gedicht ' Tuin' geenszins. Als ik ' Tuin'
lees als een poëtische parafrase van de anekdote
'op het uur dat de glazenwasser aanbelde was ik in de
tuin', dan lijkt me dat toch erg simpel. Wat vang ik
dan aan met dat mysterieuze 'uur van tuin / dat onder
bloemen kruipt' en hoe begrijp ik het personage dat
opduikt in de voorlaatste regel en over zichzelf spreekt
in de derde persoon in een taal zo plechtig als die
welke ook gebruikt werd in de tuin die wij de Hof van
Olijven noemen? In dit gedicht gebeurt duidelijk méér
dan wat er staat, maar met 'de dwang van intellect'
(cfr. blz. 46), hoe hevig ook uitgeoefend, kom ik er
inderdaad niet helemaal achter. Niettemin is 'Tuin'
geen raadsel, ik meen wel degelijk iets te begrijpen.
De metaforen in Sluijters poëzie zijn geen 'chiffres',
woordcombinaties waarvan de analogie ons helemaal ontgaat.
Neem b.v. de verbinding 'tijdse stof' in het gedicht
'Schrift':
Zal
bedolven raken
onder
tijdse stof waarom ik zelf
voor
mij de deur ging openhouden;
waarom
ik hoofs en onkoket met kartelvlam
jouw
krachten schijn te doven?
De
lijnen in dit veld verschuiven,
draaien,
breken af, verwijden en vemauwen,
ja
droinen, en dringen zich door diepste bast.
Voorbij
de bast
die
schors met hout verbindt
en
huid met bot,
word
ik opnieuw gesteld voor dood
die
sterven moet.
(blz.
26)
Pem
Sluijter schrijft een poëzie waarin het noteren
van eigen ervaringen en natuurobservaties doortrokken
wordt van filosofische noties (bijvoorbeeld 'tijdse'
stof als compact beeld van de menselijke existentie
als uitgebreidheid en verlopend in de tijd), waardoor
de gejaagdheid van de werkelijkheid en het leven zichtbaar
wordt: 'schors - bast - hout' en 'huid - bast - bot'.
Maar daar voorbij schrijft de dichteres 'word ik opnieuw
gesteld voor dood / die sterven moet'. Door een eenvoudige
syntactische ingreep, de plaatsing van de relatiefzin
die bij 'ik' hoort, ni. 'die sterven moet', achter 'dood',
wordt haar besef van sterfelijkheid a.h.w. verdubbeld
en daarom des te intenser.
Roos
is een bloem bevat
behalve gedichten 'waarin op een zeer eigen manier zowel
kentheoretische geschriften als joods-christelijke inspiratiebronnen
zijn verwerkt', zoals de binnenflap vermeldt, ook vele
reisgedichten. Die zullen wel gerelateerd kunnen worden
aan haar werkzaamheden als journaliste en als ambtenaar
bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.
In
die gedichten heeft zij het over de schrijnende tegenstelling
tussen UNESCO-mensen die in Quito kerken op de internationale
monumentenlijst plaatsen en arme Ecuadoria- nen die
die kerken bezoeken en op geen enkele lijst voorkomen.
Of zij constateert dat 'zwart' en 'wit' in Harlem meer
dan een kwestie van kleur is. En een van haar medereizi-
gers in de streek van de Dode Zee waar de berg - hahar
in het Hebreeuws - 'roept / het zoute blauw / der diepte
op', leent haar zijn bril bij het oplossen, aan de rand
van het zwembad, van het puzzelblad. 'Verscherpt verstaat
zij nu / de gruwelen die hij ziet: / zijn onbespreekbaar
leed' (blz. 35).
De
poëzie van Sluijter bezint zich op de kennis die
de taal en de woorden bijbrengen. Zij beschouwt de afstand
tussen de beleving en de benoeming van de beleving.
Zij denkt na over de woorden waarmee de mens de wereld
in bezit neemt, zich eigen maakt, tot eigendom maakt,
maar daardoor de dingen ook onteigend. Dat klinkt zo
in het gedicht waaraan de bundel zijn titel heeft ontleend:
Roos
Toen
ik nog leefde
Zonder
kennen
beleefde
ik het woord
als
woord bijvoorbeeld, roos.
Niet:
'roos is een bloem'.
Het
stond op zich,
het
woord.
Alleen
en onverbonden.
Geen
roos die al onteigend was.
(blz.
22)
Joris
Gerits
Joris
Gerits (1943) studeerde germaanse filologie aan de KU
Leuven. Promoveerde in 1980 op een studie over Hugues
Pernath. Hoogleraar aan de universiteit van van Antwerpen
(UFSIA). Hij schreef bovenstaande bespreking in het
Cultureel Maatschappelijk Maandblad STREVEN/ poium blz.73-77
jaargang 65,nummer 1/januari 1998
[1]
Pem
Sluijter, Roos is een bloem, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen,
1997, 63 blz.
[2]
De poëzie van de Amerikaanse Emily Dickinson (1830-1886)
werd pas na haar dood door haar zuster gevonden onderaan
i, haar ladenkast. Emily Dickinson trok zid rond haar
vijfendertigste terug op een buiten van haar ouders,
waar ze heel geïsoleerd leerd leefde en een herbarium
aanlegde. Tijdens haar leven noemden de dorpsbewoners
haar al 'The Myth'. De Nederlandse vertaalster van haar
poëzie, Louise van Santen kwam aan het eind van
de jaren tachtig tot de ontdekking dat de mythe verband
hield met een door de familie geheim gehouden nierziekte
van Emily, waardoor haar huid verkleurde en er altijd
een geur van urine om haar hing. Vandaar wellicht de
gemakkelijk af te koken witte katoenen kleding die Emily
altijd droeg en de bloemen die ze altijd bij zich had
om de geur van haar lichaam letterlijk te verbloemen.
Of de omslagillustratie van Sluijters bundel, een bloemenmeisje
van Goya in een wit kleedje, en de titel Roos is
een bloem, een verband hebben met Emily Dickinson
en haar sterk metaforische poëzie, is louter een
gissing van mij.
|