Archive for september 25th, 2006
II

Zij leeft in ‘t afgelegen, mistig land
Dat ik verliet de wereld om te varen;
Zij woont er nog, ik weet het zeker, want 
Een sterke vrede was de hare.

Het maakte haar niet neerslachtig dat de weiden
Groen waren, lente, zomer, herfst en winter.
Zij werkte, en wist altijd iets te vinden
Dat ‘t grijs bestaan tot een rein wonder wijdde.

Zelfs op het kleine kerkhof zat zij graag,
Er stond een bank onder het schrale loover,
Achter een schrompelende wilgenhaag
Bijna vergeten door den zomer.

Daar kon ze soms ’s avonds na het dagwerk toeven,
Zag van haar boek, ‘t liefst een dat zij al kende,
de wolken trekken over molens, hoeven,
Tot de avondzon haar weer aan huis deed denken.

Daar wilde ik vóór haar staan, als uit haar droomen
Overgegaan in een warm, waar verhaal.
Maar zij zou mij van verre zien komen:
Het lage land ligt tot den einder kaal.

(Via Leeskring Harmelen)