5 december. Op radio 1 hoorde ik een sinterklaasdeskundige iets zeggen over Sinterklaas, zoals we die binnenhalen per schip, met paard, stoeten Pietermannen, pakjes, snoep en fanfare. Hij is de spil van een platgetreden volksfeest geworden. De deskundige vond dat Sint-Nicolaas, de naam van de bisschop van Myra, die ook wordt gebruikt voor Sinterklaas liever niet gebezigd moet worden in verband met onze sinterklaasviering. De verbastering tot Sinterklaas is dan ook passend. Hij waarschuwde echter dat de figuur van Sint-Nicolaas, in de praktijk ontdaan van de status der geïnstitutionaliseerde clerici en verrichter van wonderen, geen vrijbrief is om het Sinterklaasfeest naar believen te profaneren. Dit pleidooi herinnerde mij er aan dat ‘ het lekkers’ van Sinterklaas oorspronkelijk ’uit den rijken hemel komt’.
Sinterklaaskenner Godfried Bomans heeft zich enkele decennia geleden over het ambt van Sinterklaas in een oer-Hollands décor puntig uitgesproken. Daarbij is hij uitvoerig ingegaan op het spanningsveld tussen bisschoppelijk waardig vertoon en het tentoonspreiden van banaliteiten.Bomans beschrijft in een bundel sinterklaasverhalen1 zijn afkeer van een intocht van Sinterklaas in Amsterdam, die hij vergelijkt met de aankomst van de goedheiligman in het bisdom Haarlem. De intocht te Amsterdam was stuitend onfijnzinnig, overstelpt door commerciële belangen van zakelijke jongens, die niets met het jaarfeest van de goedheiligman en kindervrind hebben te maken. Sinterklaas werd, schrijft Bomans minachtend, omstuwd door een stoet van 2500 man, 16 praalwagens en 23 muziekkorpsen. Niets daarvan in Haarlem met zijn episcopale traditie. Daar ter stede had de geestelijkheid het feest vast in handen. De rol van Sinterklaas was aan een professor uit Warmond gegeven, het strooiwerk werd aan meer gevorderde seminaristen toevertrouwd. Zo bleef het feest beschaafd van toon en was tegelijk in overeenstemming met de richtlijnen die paus Nicolaas I in 1438 met zijn bulle Sancta Simplicitas zo helder heeft aangegeven.
heilige
Ook de ‘Sint-Nicolaasliederen’ 2, een uitgave met oorspronkelijke teksten en melodieën van alle bekende, traditionele Sinterklaasliederen schoot mij te binnen. Deze bundel, bijeengebracht door Henk van Benthem, staat bij ons op de vleugel in de Sinterklaastijd. Behalve dat we daaruit de bekende sinterklaas versjes zingen, kan men er ook tijd- en streekgebonden tekstvarianten en onbekende liederen uithalen. Deze verzameling biedt de liefhebber een uitvoerig en rijk geschakeerd beeld van Sinterklaas, die vóór de achttiende eeuw vooral bekend was als heilige. Een prelaat, die het behalve voor kinderen en huwbare meisjes, ook opnam voor zeelieden. Op een schilderij van Gentile da Fabriano is te zien hoe Sint Nicolaas door de lucht aanzwevend een schip redt van de schipbreuk. Deze redding op zee is ook bezongen en staat centraal in de grote, geliefde en internationale Sint-Nicolaassequens, die zijn hele leven bestrijkt.
Zekere matrozen tijdens de vaart worstelend tegen de woeden van de golven waarbij het scheepje bijna in tweeën brak
Ja, reeds wanhopend aan het leven, geplaatst in zo’n groot gevaar, roepende, zeiden allen met één stem:
’O gelukzalige Nicolaas, sleep ons naar de haven van de zee uit de benauwenis van de dood; Sleep ons naar de haven van de zee gij, die zovelen te hulp komt, dankzij uw vroomheid.
Bisschop Nicolaas, die leefde in de vierde eeuw na Christus, werd heilig verklaard door de jonge christelijke kerk en op bescheiden wijze vereerd. Ook na zijn dood -hij werd begraven in Demre aan de zuidkust van Turkije- gingen de wonderen die hij tijdens zijn leven verrichtte door:
Uit zijn tombe stroomt een overvloed van zalving, die alle zieken geneest dankzij zijn voorspraak.
Van Benthem noemt 7 legendeliederen, waarvan die van de legende van de kinderen die door Sinterklaas uit het pekelvat worden gered, een Nederlandse versie uit de 19e eeuw kent:‘De Drie Broerkens’3. De oudst bekende versie van dit lied stamt uit de twaalfde eeuw in Nomandië, ‘ La vie de Saint Nicolas’. Hierin plaatst, ‘zoals de Here het wilde’, Sint-Nicolaas de zielen terug in de lichamen van drie studenten, die door hun hospita werden vermoord. "Daarom," zo luiden de slotregels, " vieren zij altijd feest op zijn dag met veel voorlezen, gezang en het verhalen van zijn wonderdaden."
richtlijnen
Bomans richtte zich als secretaris van Sinterklaas tot het Nederlandse volk omdat hij met bekommernis het groeiend aantal Sinterklazen aanzag ‘dat zich zonder enige aanleg of noemenswaardige opleiding roekeloos in de Nederlandse huiskamers stort.’ Vanwege stijlgevoel maar ook uit betrokkenheid bij de rooms-katholieke herkomst van Sinterklaas wilde hij ‘enige richtlijnen voor bisschoppen’ aanreiken. Sinterklaas moest weer een Sint-Nicolaas uitstraling krijgen. Geen broekspijpen met daaronder gympen onder de bisschoppelijke mantel uit laten flodderen, niet heimelijk voor het binnentreden van de huiskamer een neut naar binnen slaan, en zeker niet waar kinderen bij zijn, zèlf het snoepgoed verorberen. En niet languit grabbelend op de grond liggen. Deze bezigheid is bestemd voor de kinderen. Maar de secretaris van Sinterklaas had ook lof te vergeven. Hij noemt de innerlijke metamorfose die Sinterklaas heeft ondergaan sinds de tijd dat hij, Godfried, klein kind was. Van ‘een eerbiedwaardige ellendeling, waarbij je liever je blindelings in de gracht wierp dan bij deze ploert op de knie te gaan zitten,’ was de Sint met de tijdgeest meegegroeid en was hij een lieve oude baas geworden, door kinderen lachend aan de baard getrokken. Een verandering van geloofsopvatting (onder de leken) die hij een kerkelijke gebeurtenis van de eerste orde noemde. Sinterklaas reed niet langer dreigend meer over de daken. Hij toefde voortaan vriendelijk in ons midden.
omslag
Deze omslag van boeman tot goedige meedoener is sindsdien stuitend uit de hand gelopen. Sinterklaas bekogelen met rondzwervend straatvuil (opgetekend in 2006) wordt anno vandaag volgens de deskundige van radio 1 beschouwd als een daad van agressie en niet als een gebaar van afkeer dat men moet kunnen maken. Waardigheid en respectvolle bejegening - zonder de oude angsten bij de kinderen op te wekken - moet de sinterklaastraditie haar aanzien hergeven.
Sinterklaas is dit jaar het onderwerp van opwindende televisie geweest, waarbij de Pieten zonder roe, handenvol roet in het eten van speculaaspoppen, marsepeinen aardappeltjes en chocolade letters strooiden. Zullen de kinderen hun pakjes en lekkers wel krijgen nu het schip met de lading aan boord is terug gevaren naar Spanje? Spannende onzekerheid waarmee het sinterklaasjournaal de kijkertjes aan de buis hield gekluisterd. Dit type manager-sinterklaas, dat moppert over de domme streken van zijn Pieten, en het niet heeft over stoute kinderen, zal de angsten bij de jongsten overigens niet wegnemen of verminderen. Het verschijnsel sinterklaas is daarvoor te heftig. Kleinzoontje Ruben heeft zijn schoentje niet bij de open haard willen zetten. Dat Sinterklaas pakjes door de schoorsteen in de schoen bezorgt gaf grote schrik. Water en wortel voor het paard klaar zetten maakte hem nog ongeruster. Bij het naar bed gaan tijdens een logeer -nachtje moesten we behalve ‘de kabouters’, ‘de bouwers’ en ‘Zwieper’, ook Sinterklaas en Zwarte Piet wegjagen. “Naar je eigen huisje, naar je eigen moeder! Schiet op.” En aan het slot van het ‘ heerlijk avondje’, een paar dagen later, was hij er in het geheel niet gerust op dat Sinterklaas en de Pieten nu definitief vertrokken. Hij kroop op mijn schoot en zei: " Oma wij zijn niet bang hè ?"
Sinterklaas-celebranten
Gepokt en gemazelde Sinterklaas-celebranten hebben hun eigen normen en waarden om zich aan vast te houden. Buiten de tijd tendensen om. Men geeft zichzelf daarbij grote vrijheid van handelen met inachtneming van bepaalde regels. Dit jaar vierden wij bijvoorbeeld Sinterklaas op 1 december. Anderen vieren het op 8 december. Op die data vallen twee zaterdagen. Afgesproken was dat alleen de kleintjes dit jaar een pakje zouden krijgen. Wij hadden, zo bleek, deze afspraak te licht ingezien. Als karrenpaarden, die al jaren in de tredmolen lopen van gegroeide gebruiken en huiscultuur, konden wij niet nalaten toch voor de groten iets te kopen. En daarbij een gedicht te maken. Daar gaat het tenslotte om. Wij kochten voor de papa’s, mama’s, opa’s, oma’s, ooms en tantes 16 paar sokken voor divers gebruik. De vrouw van de winkelier schoot haar man te hulp om van al die paren sokken pakjes te maken. Wij staken echter onze hand op en weerhielden haar. Nee, wij hebben twee verzamelpakken nodig, legden wij uit. Twee grote vellen sinterklaaspapier volstaan. Omdat de blik vragend werd en tegelijkertijd opluchting uitstraalde, lichtten wij de bedoeling toe. “Voor die twee pakken maken wij één gedicht. Dat spaart werk.” Dat ene gedicht heeft meer tijd gekost dan een heleboel kleintjes bij elkaar. Maar dat was ook niet het punt. Onze Sinterklaasviering was de eer aangedaan waarzonder dit feest in waarheid niet kan bestaan.
Sint-Nicolaas
Sint Nicolaas heeft alle tijd om de maanden tot december in zijn leunstoel te slijten De tel van zijn jaren is hij al lang kwijt Dat is evenwel niet aan zijn ouderdom te wijten Kortstondig is het gedoe tussen komen en gaan.
Een mensenleven heeft al snel afgedaan Sint vindt leeftijd niet relevant Hij bestudeert liever kronieken in een oude foliant Over ouders en kinderen in het verleden En hoe ze nu leven in het consumerende heden.
Met twee grote slokken uit een glaasje Madeira Beschouwt Sint fronsend deez’ verwilderde era De kinderen moeten het vaak zonder richtlijnen stellen Protesten van tieners verzakken in rellen Nederland heeft van alles te veel en te weinig in het publieke leven En waar is toch de homo ludens van Huizinga gebleven?
Geen socioloog, eenvoudig bisschop, rooms katholiek: Hij houdt zich vast aan de pauselijke encycliek Hij is vóór alles praktisch van aanpak Gepokt en gemazeld in de praktijk van zijn vak.
Hij zoekt algemene oplossingen voor het kwaad Die heeft hij gevonden in het celibaat Het is niet nodig in de tijdgeest te wroeten Wie goed is heeft altijd warme voeten.
Sinds kort heeft naast de onopvallende koortsthermometer, die in elk huishouden in een of ander badkamerkastje is weggestopt, de bloeddrukmeter nadrukkelijk een plaats gekregen bij ons thuis. Nadat tijdens een preoperatief onderzoek de bloeddruk plotseling uit de band sprong, moet ik me wel met dit gegeven bezig houden omdat de anesthesist, een onmisbare deskundige bij het verrichten van chirurgische ingrepen, mij niet wil begeleiden zolang de bovenwaarde uitkomt boven de 160, en de onderwaarde de 90 overschrijdt. Ik meet de bloeddruk op gezette tijden van dag en avond en houd daarvan een staatje bij: de systolische (boven) druk, de diastolische (onder) druk en de polsslag. Het werkt aanstekelijk want de huisgenoten meten nu ook hun bloeddruk, evenals langs komende bekenden. Op de lange eettafel slingeren voorgeprogrammeerde papieren rond waarop men de resultaten noteert. Vervolgens maakt ieder voor zich een afspraak met de huisarts om die deelgenoot te maken van de bevindingen. De een blijkt gemiddeld hogere (te hoge) waarden te hebben, de andere juist lagere (te lage) volgens de metingen thuis. Die uitkomsten blijken nogal af te wijken van de metingen die de huisarts verricht rond de bovenarm, met een handmatig bediend pompje en een stethoscoop. Alleen bloeddrukmetingen uitgevoerd in het ziekenhuis of bij de huisarts worden in de medische wereld als normgevend aanvaard, deelt hij mee. Een geruststellende gedachte ook al omdat de thuismetingen aan de rechter pols meestal flink lager zijn dan die aan de linker. In zo’n geval, zegt de arts, telt de hoogst gemeten waarde.
buurman
Onze buurman heeft een elektronische armmeter. Door dit bezit leerde ik het verschijnsel thuismeten kennen. Hij beveelt deze meter aan als nuttig voor algemeen gebruik, ook op het Instituut waar hij werkzaam is. De gang van zaken is als volgt: men meet eerst de bloeddruk gedurende een dag of wat om te zien of de stabiliteit en het gemiddelde van de waarden als indicator, inspannende werkzaamheden verdragen. Op het instituut is de prestatiedruk groot terwijl de gemiddelde leeftijd van de werknemers toeneemt sinds onder Balkenende de senioren in de staf tot langer arbeiden worden aangezet. Sedertdien hebben de bloeddrukmeters hun intrede gedaan en zij worden op aandringen van onze buurman druk gebruikt. Wanneer de bloeddruk aan de hoge kant is dient men liever tijdelijk af te zien van het doen van spécifiek stress gevende arbeid, is de filosofie.
Zelf bloeddruk meten is voor 60 plussers een must vindt de buurman. Tijdens een diner bij hem thuis met enkele collega’s verdween op zeker ogenblik - onder zijn aanvoering - de helft van de aanzittenden, met de eigen meegenomen apparatuur onder de arm, twee trappen op naar zolder om zich daar te onderwerpen aan een meting, die de gastheer zelf verrichtte. Zijn meetapparaat werd na enig wikken en wegen als nauwkeurigst en betrouwbaarst aangemerkt. Men keerde na afloop enigszins opgewonden en licht ongerust naar beneden waar het nagerecht in stille afwachting van zijn genieters op tafel stond. De gesprekken cirkelden vervolgens nog een poosje rond dit emotionerende onderwerp.
Georges Simenon
Schrijvers hebben de weg naar de bloeddrukmeter ook weten te vinden. Georges Simenon bijvoorbeeld, de schepper van Maigret, die zijn romans altijd non stop schreef in uiterlijk 11 dagen (langer was fysiek onmogelijk), nodigde zijn huisarts voordat hij begon aan een nieuw boek bij zich thuis om zijn bloeddruk te meten, waarna hij aan het werk ging. Na afloop kwam de goede dokter op eigen initiatief langs om te zien hoe het nu met de bloeddruk van de gesloopte schrijver was gesteld. Wat bleek? De bloeddruk was haast in alle gevallen gedaald. De arts was niet ontevreden maar vond het marathon-schrijven toch te ongezond om vaak achter elkaar te doen. Hij beval een rustperiode aan van minimaal twee maanden, alvorens aan een nieuw boek te beginnen.
poes
Wellicht daardoor aangemoedigd en omdat ik het verschijnsel thuis-bloeddruk-meten wel grappig vind, een nieuw soort elektronisch spelletje, waaraan al gauw mensen in je omgeving mee doen, zit ik om 23.00 uur achter de computer een weblog ‘in Waadpoot’ te schrijven, en dat terwijl ik me stellig had voorgenomen om niet later dan 22.30 uur in bed te liggen met slaapthee en een boek. De bloeddrukmeter ligt in een rond opstaand doosje op de eettafel in elkaar gekruld als een poes.
Op de valreep de tentoonstelling ‘De Sixties’ in het gemeentemuseum in Den Haag gezien. Veel zoontjes, meegenomen door vaders, die zelf de kinderen zijn van ouders die jong waren in de zestiger jaren. Een mevrouw, jong in dat decennium, neemt foto’s. Ik heb mijn camera in mijn tas. In een ruimte in het midden waarvan een vrouwengestalte steunt op handen en knieën, borsten bloot – het gezicht weerkaatst in een op de grond liggende spiegel - haal ik het toestel schielijk tevoorschijn en neem een reeks foto’s van ‘Christmas Eve’, een schilderij van Allan D’Arcangelo (1930-1998) uit zijn Highway serie. Het bordje er bij vermeldt dat de messcherpe beelden - hard, flat, angular - voor het eerst te zien in 1964 in de Newyorkse Fishbuch galerie, het gesprek van de dag waren. De kunstenaar zou keiharde sociale kritiek leveren op de consumptie-maatschappij. Zonder dit alles te weten slaat dit kunstwerk mij met vlakke hand in het gezicht. De grijze verkeersweg voert tussen zwarte en groene vlakken naar een bocht in de verte. Daar doemt in het licht van onzichtbare, ver voor uit schijnende koplampen, een bord op dat een afslag aangeeft. In witte scherpe lettertjes staat ‘Betlehem’ geschreven. Ik kom daar net vandaan.
wegwerpmaatschappij
In de zestiger jaren gebeurde wel eens wat. Er reed bijvoorbeeld een vracht uitpuilend papier in de laadbak van een auto door Amsterdam, PK genaamd; een constructie van wolkig wit. Of er wandelden zes mensen flink doorstappend van A naar B in een kwartier tijd. Aan het groepje was niets bijzonders te zien. Niets buitenissigs, gewone mensen in jacks en jassen, met of zonder hoed op. Of er liet iemand witte vellen papier op de rijweg vallen waarop mensen die overstaken gedachteloos stapten. Na verloop van tijd werden de besmeurde vellen weer ingezameld. Gewone dingen, waarvan men zich al dan niet bewust is, uit hun beweging lichten en tot kunst verheffen was avant-garde. Terugkijkend op de Sixties markeerde zij toch voornamelijk het begin van de consumptie maatschappij, de periode na de naoorlogse jaren toen de oude fiets, opgekalefaterd en gelakt, door ouders als nieuw aan jarige kinderen cadeau werd gedaan. Zij bracht een ander bestedingspatroon en andere waarden. De commerciële wegwerpmaatschappij was geboren. Amerika lag daarin ver op ons voor. Daar hield de alles aan zich onderwerpende reclame het land gegijzeld. Dat was het onderwerp van de Highway serie van de in Buffalo geboren en in New York overleden Allan D’Arcangelo. Zijn kerstavondschilderij met als enig naambord Betlehem aan een scherp gesneden snelweg in de VS schokt door de combinatie van sterke beeldtaal en een archetypische tijdloosheid, schreven de deskundigen. Ik sta op Koninginnedag 2007 voor dit afstandelijk geschilderde kunstwerk dat een reusachtige vinger opsteekt in herkenbare vergeefsheid.
Ik voel weer de kussen op mijn wangen branden van Yvonne, de eigenares van hotel Alexander in Betlehem omdat we met onze vrienden een nacht hebben geslapen in twee van alle verder onbezette kamers van haar bedrijf. Het gebrek aan geld voor onderhoud is sinds in september 2000 de tweede intifadah begon het hotel aan te zien. De tweede verdieping is niet afgebouwd. In de royale kamers in het souterrain, netjes maar in verval, vlokt stof tussen het meubilair. In de nieuwe niet afgewerkte badkamer kan je alleen de wc gebruiken en de wastafel. Yvonne zelf komt na onze aankomst als we net even slapen vragen of we iets nodig hebben. Het woord stofzuiger slikken we maar in.
Betlehem ligt ver af van de snelweg van de globalisatie. Ooit was het een ‘ vlek waar David was, waaruit de leidsman zou voortkomen die staat en weidt in de kracht en de hoogheid van de naam van de Heer zijn God’. Maar hoewel de wereld kerstfeest viert is Betlehem vrijwel uit het publieke geheugen verdwenen. Naakt, koud en eenzaam staat het woord naast het routenummer in de bocht van de weg. Haast niemand die de afslag neemt. Op het schilderij van D’Arcangelo is het nacht.
profeet of engel
Schilderde hij de aankomende depressie van de geest, de verwoestende uitwerking van de tot rite verheven noodzaak tot zelfontplooiing; de nihilistische cultuur, de afschaffing van religie in het publieke domein waarin verwijzen naar God niet politiek correct is? De filosoof Nietzsche, die het ontstaan van dit leefklimaat in Europa diepgaand heeft beïnvloed, keerde zich niet alleen tegen het christelijke geloof maar ook tegen de filosofen van de Verlichting, die het geloof in overeenstemming brachten met de menselijke rede. Dat was Nietzsche niet radicaal genoeg:"De zin van het leven kan alleen in deze wereld als onze enige werkelijkheid worden gevonden." Het schilderij van D’Arcangelo met de granieten boodschap aan de Sixties is vandaag niet minder boud. Route 22, Exit 69 is onverminderd een waarschuwend signaal aan het snelverkeer. De werkelijkheid is niet meer dan een heersende voorstelling die voortdurend wisselt.
Angelo, - dat woord ligt in zijn naam besloten. Wie was deze kunstenaar eigenlijk. Profeet of toch engel?
Noten: 1.Matth.2:6; Joh.7:42; Micha 5:3 Statenvert. 2. A.A.A. Prosman, Geloven na Nietzsche uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, mei 2007
Om onze lange tafel beweegt het gesprek onrustig langs glazen en borden; iedere disgenoot strooit aroma op het onderwerp van de conversatie. Soms dwalen woorden af en beginnen een onderhoud met mekaar. Een ieder steekt kaarsjes op voor de eigen heilig verklaarde denkbeelden, uitgestald voor gezamenlijke bezichtiging. Waar licht op wordt gezet is schaduw te vinden.
Ik denk terug aan het silhouet op de muur schuin achter het beeld van de heilige Thérèse, met het kind Jezus, in het duister van een zijkapel in de kathedraal van Reims dat ik dwaas genoeg probeerde te fotograferen. Schaduw bestaat bij de gratie van licht. En licht was er weinig. Waxinelichtjes beefden en trilden, soms achter rood glas, in alle vier van de zes domkerken die wij in Noord-Frankrijk bekeken. Vlammetjes, die de bezoeker tegen betaling de inklinkende schemer instuurt als dwaallichten tussen de kolossale pilaren, die de duizelingwekkende ruimte van het schip ophouden en de blik omhoog trekt. Al gauw zochten mijn ogen een rustpunt in de vuurkring van onrustig brandende kaarsen, opgestoken voor aan de hemel gewijde beelden op sokkels. Maar de schaduwen beklemden niet minder.
kathedraal van Reims
Zelfs in de kathedraal van Reims met de ramen uit 1974 van de joodse kunstenaar Chagall, die Oud-en Nieuw Testamentische verhalen vat in het magistrale blauw van de Middeleeuwen, ontkom ik niet aan de trekkracht van de dood. De enerverende pracht van Chagalls schepping, de spirituele expressie in de omhoogstrevende architectuur, die aarde en hemel verdeelt in werelds en geestelijk leven, ontdoet de basiliek niet van de sfeer van een gigantische graftombe. Als de februarizon door de kathedraalvensters breekt, is het alsof via een hoofdschakelaar een reusachtige elektrische lamp kort aan en uit wordt gedaan. Het fletse licht herinnert aan warmte. In deze omgeving peilt men de vergankelijkheid op aarde waar de dood heerst. De gestorven koningen en kerkvorsten onder de gewelven, in de alkoven en zijmuren bijgezet , leven nog generaties lang voort in de praal van hun graven. Mogelijk symboliseren de ramen, hoog in de muren aangebracht nadat de bogen hun dragende functie hebben overgenomen, de doortocht van het hemelse licht naar het ondermaanse, waar zelfzucht en het streven naar macht en aanzien de dood belichamen. Het dichte woud van brandende kaarsen in deze duisternis wappert alle kanten uit alsof ze in een grillige, rondwervelende wind, nu eens vanaf de noordkant, dan weer vanuit de oostelijke windrichting, worden aangeblazen.
roze cyclaam
De tafelgenoot rechts van mij zegt dat alles in roomskatholieke bastions hem interesseert: "Een feest voor het oog al die beelden, bogen en gebrandschilderde ramen in de nauwe vensters geperst." Als een blanco bladzijde, een tabula rasa, voelt hij de punt van de pen over het onbeschreven papier glijden. Hij staat open, ontvankelijk voor wat op deze wereld aan schoons en belangwekkends is te zien. Hem bevangt geen wrevel of verwachting, die de belevenis van schoonheid schaadt. Hij ervaart geen tegenstrijdige gevoelens. Zijn gemoed maakt een seismogram van de trillingen die de vele impressies veroorzaken. Ons gesprek voert van de ene nis naar de andere, de ene kleine in schaduwen verborgen kapel naar de naastgelegen andere. Een keer treffen we aan de voet van de Heilige Maagd en haar Kind een pot met roze cyclaam. Iemand heeft die neergezet, een ontwapenende geste. Tussen al dit steen een bloeiende bloem, een tere cyclaam. Iemand heeft die plant uitgezocht, in een pot gedaan, water gegeven. ”De natuur verlicht de gotische hemel," mompel ik in zijn richting.
Als een bos verknoopte draden hangen de gespreksfragmenten boven de dis. De volgorde van de gerechten ligt echter vast. Dat geeft sturing aan de avond. Zelfs het slot van het nagerecht, eerst weg gewuifd, later alsnog aanvaard – bosvruchten met kokosmelk en lange vingers – kan niet worden gemist, een beslissende stap naar de afronding van de maaltijd en het einde van de avond hoewel die, wat mij betreft, daarmee nog niet is afgelopen.
kathedraal van Rouen
Als de gasten zijn vertrokken blijkt een onzichtbare gast aanwezig te zijn. Zij heeft zich tijdens het tafelgesprek losgemaakt van de gedrukte bladzijden van Flauberts roman, die bij verschijnen in 1857 een schandaal veroorzaakte. Emma Bovary, die van de kerkbaljuw in de kathedraal van Rouen een rondleiding aanvaardt om overgave aan haar groeiende passie voor de jonge klerk Léon uit te stellen, vraagt om aandacht. Zij zweeft boven de tafel met de vuile borden en glazen en eist mijn aandacht. Ik zoek ’Madame Bovary’ voor haar op in de boekenkast, en vind de passage waarin haar zwakke worsteling met zichzelf tegen de verleiding zo subliem wordt beschreven.
Toen wij, van Orléans komende, voor de kathedraal stonden was het gebouw uit voorzorg gesloten. Het woei te hard (eerder was een van de beide torens in een storm door het dak heengestort) ik prevelde een ’godzijdank’ voor deze genade. Hierdoor konden wij onze aandacht verleggen en het ouderlijk huis van Gustave Flaubert, vastgebouwd aan het ziekenhuis waar zijn vader chirurg was geweest, bezoeken. Zo bevonden wij ons op die koude natte middag in plaats van in de kathedraal van Rouen, in een kamer voor het bed waarop Gustavs moeder van hem was bevallen. De opgezette papegaai ( bij leven altijd dicht bij Gustavs schrijvende hand op zijn werktafel te vinden) was op een tafeltje tussen de beide, op de weg uitziende ramen, geplaatst. Daarachter ergens school de kathedraal die een verheven, maar aan zwakte bezwijkende rol speelt in Flauberts eerste grote roman. Emma Bovary streeft aangrijpend en tragisch naar het onbereikbare, onstuitbaar afkoersend op een afgrond van verderf en dood. Haar man, een plattelands dokter, ontredderd, sterft korte tijd later; haar dochtertje, verwaarloosd, blijft ontheemd achter. Geniaal dat Flaubert de kathedraal van Rouen in het leven van Emma een rol laat spelen. De symboliek ervan is treffend. De kathedraal als zinnebeeld van de tweeslachtigheid in de menselijke ziel. Het is een onverwacht gezichtspunt. Ik wil Emma bedanken. Maar mijn gast is vertrokken.
Zij stond op en toen zij zich gereedmaakten te vertrekken, kwam de kerkbaljuw haastig op hen af en zei: ‘Mevrouw is zeker niet van hier? Verlangt mevrouw de bezienswaardigheden van de kerk te bezichtigen?’ ‘Ach neen!’ riep de klerk uit. ‘ Waarom niet?’ hernam zij. Want met haar wankelende deugd klampte zij zich vast aan de Heilige Maagd, aan de beeldhouwwerken, de graftomben, aan elke gelegenheid.
Om alles regelmatig te doen verlopen, leidde de koster hen toen naar de ingang, bij het plein, waar hij hun met zijn stok een grote kring aanwees van zwarte tegels zonder inscriptie of versiering. ‘Ziehier,’ zei hij allergewichtigst, ‘de omtrek van de schone klok van Amboise. Zij woog veertigduizend pond. Haarsgelijke vindt men in heel Europa niet. De werkman, die haar gegoten heeft, is van vreugde gestorven…’ ‘Laten wij toch heengaan,’ zei Léon. *
De kersttijd duurt twaalf dagen gerekend vanaf 25 december. Het eindigt met Driekoningen, het bezoek van de drie wijzen uit het Oosten, op 6 januari. Precies een week geleden reden wij door nevels, hier en daar verdicht tot mist, naar Maastricht om kerstmis te vieren. Onze Engelse vriend had al voorspeld: de mist, die het vliegverkeer vanuit Heathrow lam legt, komt naar Nederland.
Met deze vriend hebben we altijd politieke gesprekken. Blairs missie naar het Midden-Oosten was dit keer een onderwerp. De zelf opgelegde taak van Tony in zijn laatste maanden als premier werd door hem sterk afgekeurd. Een ander onderwerp was het vreemdelingenbeleid in de Europese Unie. Met ’ The Economist ‘ voor zich had hij gevraagd: " What does it mean ‘Verdonked’ ?" "De vervoeging van het naamwoord Verdonk, gebruikt als werkwoord," opperde ik. "Your immigration minister, still in function, is no longer in charge of asylum seekers then?" "Precies. Veel Nederlanders hebben genoeg van de praktijk van het uitzetbeleid. Het nieuwe parlement heeft op de dag van zijn installatie een motie voor een generaal pardon in stemming gebracht. De motie werd aangenomen."
borrel
Een dag later waren wij op een kerstborrel. Een Britse klaagt over de veranderingen in Nederland van de laatste vier jaar. "Ik herken het land niet meer. Ik woon hier nu 35 jaar. Nooit heeft iemand me gevraagd of ik de Nederlandse nationaliteit heb. Nu kijken ze me er op aan; 35 jaar in Nederland en nog geen Nederlands paspoort. En dan de vreemdelingenpolitie. Vroeger kreeg ik een briefje of ik even langs wilde komen wanneer het me schikte. Allemaal heel onspannen en vriendelijk. Nu krijg ik een pak papier met grimmige vragen. In een stijf schrijven word je meegedeeld dat je verblijfsvergunning is verlengd. Ik heb mijn vrienden hier maar ik denk er over om terug te gaan." "Nieuwe wet van Job Cohen," knik ik. Eigenlijk mag je – als Verdonk haar zin had gekregen – op straat ook geen Engels spreken. Alleen Nederlands, anders worden onze immigranten niet gestimuleerd om onze taal te leren. Dus: Nederlands spreken of op straat je mond houden. " Ik besluit de grenzen van het onbegrip niet verder op te rekken. "Voor ons is het ook anders geworden," zeg ik lammig. Wij moeten vanaf veertien jaar op straat altijd een identiteitsbewijs bij ons hebben. Je kan een boete krijgen." "Altijd een identiteitsbewijs bij je hebben…!" De Britse slaat de handen ineen. "Dat meen je niet." Ja hoor, zeker wel." De twee Nigerianen, die het gesprek volgen, knikken. "Helemaal niet prettig voor jullie," zegt de een. Verrast door zoveel begrip zeg ik verzachtend: "Ons wordt dat nooit gevraagd hoor."
9-11
Nederland niet meer te herkennen voor buitenlanders die hier wonen. Onze perceptie van de wereld sinds 9-11 onderuit gehaald alsof een zware klopboor de grond onder de voeten vandaan heeft gedrild. Werd de impact van deze gebeurtenis inderdaad overal op de aardbol gevoeld zoals bij ons? Hoe bijvoorbeeld reageerde men in een land als de Filippijnen, gewend aan calamiteiten en terroristen. Of in de Palestijnse gebieden waar onverholen blijdschap heerste over de slag toegebracht aan de machtige vriend van Israel. "Sommigen zeggen dat 9-11 de meest significante gebeurtenis is van de contemporaine geschiedenis," zegt mijn Filippijnse peetdochter. "Bij ons ging het leven gewoon verder ." De zoveelste orkaan, de zoveelste aardbeving, de zoveelste tsunami en de zoveelste aanslag op het leven van burgers in de Filippijnen is voor niemand wereldschokkend. "Amerika," zegt peetdochter, "heeft de wereld meegetrokken in deze voor haar als supermogendheid verpletterende ervaring. Maar als je goed kijkt is die datum voor veel mensen geen cesuur. Dat was het voor Amerika. En Europa. Voor de rest van de mensheid is de wereld sowieso een onveilige plaats. "
Peetdochter kijkt koel. "In Londen werd de draad van het dagelijks leven na de bomaanslagen meteen weer opgepakt. Business as usual. Dat komt omdat de Britten gewend zijn aan de aanslagen van de Ira." Haar gezicht drukt naast neutraliteit nu ook de hoop uit dat wij, Europeanen op het continent, onveiligheid als iets onvermijdelijks leren beschouwen en paniekbestendig zijn. ’ Londen’ is volgens haar ons lichtend voorbeeld. Zij studeert in die stad na een periode veldwerk in Atjeh dat nog steeds onder de gevolgen van de tsunami kreunt. Zij maakte tekeningen voor een opvangcentrum. Het gebouw staat er. Maar de bevolking woont nog steeds in tenten.
verlettering van het leven
Op weg naar Maastricht noteer ik de aantekeningen voor dit weblogstuk in een willekeurig opschrijfboekje dat ik uit een kast meepakte. Het boekje blijkt notities te bevatten van een bezoek aan de botanische tuin in Jena op 30 september 2004. Ik lees ze snel door. Goethe ging voorop in de vernieuwing van de letteren in 1770. Via de verliterarisering van het ik ging hij over tot de verlettering van het leven. Ook was hij een vorser van de natuur. In Jena was hij enige tijd inspecteur van de botanische tuin. In het inspecteurshuis, waar hij woonde, hangen potretten van illustere tijdgenoten: Fichte, Hegel - filosofen bij wie hij college liep - en het portret van natuurkenner en onderzoeker Von Humboldt. In een zijkamer bevinden zich blijken van natuur- en biologisch onderzoek; kleine skeletten, gedroogde bladeren, een galvanische zuil met kompas. Ingelijste teksten. Schiller, die evenals Goethe later, voor de rest van zijn leven in het nabijgelegen Weimar woonde, schreef aan Goethe: "Sie nehmen die ganze Natur zusammen um über das Einzelne licht zu bekommen." Voor Goethe stond ‘ licht werpen op’ gelijk aan het ‘ verlossende woord vinden’. Maar dat, zo schreef hij aan een vriendin, kon hij haar niet geven. "Alle Gestalten sind ähnlich und keine gleichet der Andere, und so deutet das Chor auf ein geheimes Gesetz, auf ein heiliges Rätsel."
praatprogramma
De parelende vochtdeeltjes van de nevel op de voorruit van onze auto zijn allemaal hetzelfde, mijmer ik. Maar geen afzonderlijk lijkt op een ander deeltje omdat het ene opgaat in het andere. De individualiteit, aldus Goethe, verdwijnt niet in de massa maar zij wordt opgeheven of opgelost in de schepping van een andere individualiteit. Als literator beschouwde Goethe het ‘ ik ‘ , het ‘ jij’ en het ‘ leven ‘. Vervolgens beschouwde hij de beschouwing daarvan. Een esthetische truc die zijn teksten een hoog echtheidsgehalte moest geven en deugdelijkheid. Maar daarmee was de kous niet af. Tegenover de opheffing van de individualiteit diende een uitgewogen voorstelling te staan van het begrip identiteit. Dat was de vondst van de jonge schrijvers uit de zeventiger jaren van de achttiende eeuw, waarbij de jonge Goethe voorop liep. Ik klap het notitieboek dicht en denk: zo zitten we in onze tijd uiteindelijk opgescheept met de rage van de publiekelijke expressie van wat identiteit genoemd wordt. Wie had dat kunnen denken? Goethe de vader van de hedendaagse Persoonlijkheids Televisie; de literatuur is mediaal overal aanwezig in praatprogramma’s, die niemand kan ontlopen.
We naderen Maastricht. Ik richt mijn aandacht weer op kerstmis. We zijn op weg om de Geboorte in Betlehem te vieren. Een geheime wet, een heilig raadsel. Licht, Woord, en Vrede zijn in deze samenhang de begrippen die een uitzonderlijk beroep doen op ons voorstellingsvermogen. In de dagen van de geboorte van Jezus hielden de Romeinen de regio bezet; nu is er een hoge muur om Betlehem opgetrokken door de bezetter van vandaag.
vrede
Een priester uit het noorden van de Westelijke Jordaanoever ziet desondanks vrede met een hoofdletter aan het einde van de tunnel. Zijn voorstellingsvermogen is toegenomen en sterker geworden in de jaren van de inbezitneming van dit gebied na 1967. Hij schreef in een kerstemail: " Water en gas worden de laatste vier maanden een paar dagen per week afgesloten. De aanvallen op onze steden worden opgevoerd, vooral ’s nachts. We zijn bang voor een burgeroorlog nu onze politici hun macht proberen te vergroten en elkaar met wapens en geweld te lijf gaan. Sommigen hier spreken woorden die me boos maken. Ze zeggen: ‘ We hebben niets te verliezen, laten we ons bij de oorlog aansluiten. Laten we vechten.’ De hoop op vrede met Israel hebben ze verloren. Maar ik blijf volhouden: de vrede komt. In het midden van de oorlog zie ik vrede als ik in kinderogen kijk. Iets binnen in noodzaakt me om te zeggen: deze vrede, waarvan wij dromen, is niet gewoon een droom; het is de beweging van de geschiedenis. Laten de politici de God van vrede vrezen. "
De boodschap van vrede is ondanks alle uiterlijke omstandigheden, die van het tegendeel spreken, niet weg uit het hedendaagse Betlehem. Lieddichters hebben niet zomaar de eeuwen door over de mensreddende gebeurtenis in Betlehem geschreven. In 1865 reisde de bekende episcopale voorganger en hymne schrijver Philip Brooks uit Philadelphia naar Betlehem om een frisse neus te halen. Hij bracht er ook de kerstdagen door. Bevangen en overrompeld door ontzag schreef hij over deze ervaring het lied, O Little Town of Bethlehem dat tot de canon behoort van de Engelstalige kerstliederen. Curieus dat het zo eigentijds overkomt. De eerste strofe springt je meteen op de lip. Het beschrijft het kalm ogende stadje Betlehem dat in een droomloze slaap ligt verzonken - een diep zwart gat zouden ooggetuigen nu zeggen - waarboven de sterren geruisloos wentelen; maar in haar donkere straten schijnt het eeuwige licht dat hoop en angst van alle tijden op deze plaats samenbindt en tegemoet komt. De morgensterren, schrijft Brooks in het tweede couplet, spreken juichend over de geboorte die vrede brengt.
Kom net terug van stemmen in het buurthuis. Knopje geen potlood. In het belendende vertrek zaten twee baardige mannen vanachter tafel kien uit hun ogen te kijken. "Zwevend of niet," vertaal ik hun blik. We waren op de terugweg, anders had je nog in een discussie kunnen verzeilen. Na gisteravond, na de conference van de nieuwe ‘Kan’ van Nederland, die bij de VPRO weergaloos afrekende met het lijstje cijfers dat iedereen die wel eens op de IND website heeft gekeken ( hoi-hoi weer zoveel gelukzoekers uitgezet) herkent , en de draak stak met de argumenten waarmee het CDA een generaal pardon tegenhoudt (over de VVD hoef je het niet te hebben: hun fee, zwarte Rita, is naar voren geschoven om elke twijfel bij het CDA hieromtrent weg te nemen) is alles anders geworden. Opgeluchter. De bevolking, die het zich aantrekt dat zoveel uitgeprocedeerden genoodzaakt zijn in de illegaliteit te leven ( vrouwen in de prostitutie) hoeft eindelijk niet alleen de last te dragen vis à vis een overheid, die de ogen heeft gesloten, en in de ontkenning van de feiten rechtvaardiging voor eigen handelen heeft gevonden. Eindelijk na lange jaren staat een cabaretier in de schoenen van Nederlands grote purgator Wim Kan.
Freek
"Generaal pardon? Nee, dat kan niet. Dat betekent rechtsongelijkheid voor de mensen die al zijn uitgezet, " zegt demissionaire minister president Balkenende. En de procesgang voor vreemdelingen dan? Is daar soms geen sprake van beschamende rechtsongelijkheid? “ Als meer dan een rechter tot de conclusie komt dat uitzetting gerechtvaardigd is, dan is er geen vuiltje aan de lucht,” sust CDA’er Bot in zalige onwetendheid van wat de asielzoekers advocaten dagelijks in de hoger beroepszaken in de rechtszaal meemaken. " In Nederland wordt recht gesproken. De vreemdelingenwet wordt rechtvaardig uitgevoerd." Met zulke uitspraken waar tegen geen verweer mogelijk is en kreten als ‘rug recht’, ‘fatsoen moet je doen’, ‘recht door zee’; ‘regels zijn regels’ houden CDA en VVD elkaar in een bederfelijke omarming geklemd. De wanhoop bij lagere overheden, sommige kerken en individuele burgers die daarvan wakker liggen, is opgeschud en heeft zich ontladen in de schaterlach.
Freek de Jonge prikte alle ballonnen stuk voor stuk door voor een publiek dat zich herkende in de ontmanteling van politici, en in de eigen onmachtigheid en sulligheid van ‘niets aan te doen’ gedrag. Spijker op de kop. Een catharsis. Hetzelfde bevrijdende gevoel beving me als op de Oudejaarsavond conference van Wim Kan waarvoor iedereen alles stop zette. Een conference, die ging over de POLITIEK, waar bij alle prominenten en tot bekende Nederlanders gerekenden in de zaal zaten, en lachten om de voltreffers die bij hen midscheeps naar binnen sloegen. We keken, niemand uitgezonderd, in de behandelkamer spiegel van onze nationale cabaretierpsychiater. Gisteravond werd na jaren die spiegel weer opgehouden aan de vooravond van de Kamerverkiezingen. En ter afsluiting van een kabinetsperiode. Wordt nu een vaderlandse traditie hersteld? Dat zou voor conservatief links en rechts een overwinning betekenen.
Freek de Jonge, niet meer de jongste en dus geschikt, toonde ons de hel. De hel voor moslims en niet moslims. Mensen van voren en mensen van achteren. Hoe de werkelijkheid ontsnapt aan de werkelijkheid. Hoe de tijd tijd mist voor zichzelf. Werkelijkheid, waarheid en het goede stelde Socrates op een lijn. Het goede moet je doen, maar hoe kom je er achter wat het goede is? De wijsgeer probeerde het antwoord te vinden door de juiste, subtiele, vragen te stellen. Freek doet het door ons in het gezicht te slaan met bijbelse noties in de achterzak. De laatste elf overgebleven asielzoekers op zijn staatje konden worden geschrapt door de Schipholbrand. Geen enkele politicus op verkiezingstocht kwam er ongeschonden uit. Behalve Femke. Feilloos vond hij de zwakke plekken van de kandidaten. Op de website van Wouter Bos voldeed Wouters uitspraak uit zijn Shell tijd perfect: ‘er zijn dingen waar je niets aan kunt doen’ . “ Uw premier spreekt tot u, “ snierde Freek Kan.
Femke
Ja, en wat ga je nu stemmen, vroeg ik mij vanochtend weer af. Ik wist het eigenlijk wel, maar twijfelde toch. Het CDA heeft bij monde van Balkenende gezegd: Geen generaal pardon voor de 26.000 overgebleven asielzoekers. Hoewel, het is geen breekpunt in onderhandeling met coalitie partijen. Een lonkje naar Wouter Bos, die er wel een breekpunt van maakt als deze eis niet wordt overgenomen door coalitiepartner? In gesprek met VVD hoeft CDA uiteraard niet over generaal pardon te spreken. VVD is bekoord door de verdwijn toverstaf waarmee de eigen boze fee zwaait. CU, voorstander van generaal pardon, maakt er ook geen breekpunt van. Stel nu dat CDA, VVD en CU als hefboom partij samen een coalitie vormen, is het generaal pardon dan toch in veilige handen?
Een eenvoudige rekensom leert dat ik mijn stem heb uitgebracht op Wouter Bos. De baardige mannen van het buurthuis zien door mij heen. Je bent een afvallige blikkeren hun ogen. Nou, inderdaad, ik heb gebroken met een traditie, met een inhoud. ’t Voelde onwennig en dat zagen die baarden. Ver naar links zie je mij niet uitzwenken. Maar Wouter Bos staat links in het centrum en heeft gezegd van geen wijken te weten als het om generaal pardon gaat voor de winterharde asielzoekers. Ik schrijf op deze website al meer dan een jaar over hen: lot, toekomst, overjarigheid, kinderen die naar school gaan; kortom over vluchtelingen die gelukzoekers worden genoemd door de VVD politici. Als die er ooit tussen zaten zijn ze al lang vertrokken. Zeven jaar en langer houden gelukzoekers het wachten niet uit. En wat dan nog? Ik heb dus gekozen voor de partij van Wouter Bos. ‘k Heb smsjes gestuurd met de tekst: ‘Wouter betrouwbaar.’
‘k Vraag me overigens af: op wie zou Freek hebben gestemd. Femke?
Een babyslakje werkt zich zwoegend omhoog onder de fijn uitspattende druppels van een pieterige waterstraal, zijn glasachtige voelhorens als kleine lansen vooruitgestoken. Op de binnenwand van het fonteintje dat als een parmantige witte krokus midden in een cirkel rode bakstenen staat, toont hij zich als een minuscule streep op een witte helling die verhoudingsgewijs als een Himalaya rug boven hem uit torent. Toen hij de rand ervan had bereikt vouwde hij zich om, lansjes naar beneden, alleen zijn slakkenhuis steekt als een ronde bruinbeige speldenknop omhoog. Zo’n prachtig vormgegeven klein formaat slak van enkele dagen oud, dat past op de nagel van je duim, is een hoogtepunt. Zoiets krijg je niet elke dag te zien. Zelf heb ik een wiegenslak nooit eerder waargenomen. In onze tuin zijn vele gerijpte exemplaren te bezichtigen, maar tekenen van het bestaan van pasgeboren kroost bleven voor mij verborgen.
gympen met sokken
Wij waren langsgegaan bij schoonzus om verjaardag te vieren en bezichtigden de zacht ruisende fonteinkrokus, het actieveld van het slakje. Dit zachte geklater brengt een vredige stemming waardoor je, verzekerde schoonzus, tot rust komt. Wat mij betreft zijn haar woorden al werkelijkheid. Mijn dag werd door het gebeuren op de binnenwand van de krokus in een contemplatief licht gesteld. Vertedering is in mijn gemoed opgestaan en houdt de regie in handen. Het slakje biedt diepe vertroosting. Het buikpotig weekdier lijkt op die plek op dat tijdstip neergezet om kwetsbaarheid, levensmoed (het is op z’n eentje bezig aan een enorme tocht ) en vertrouwen onder de aandacht te brengen. Terwijl ik zo mijn gedachten liet gaan zag ik gympen met sokken uitsteken onder de was aan de lijn die, dwars door het tuintje gespannen, volhing met broeken, sweaters en hemden van de eigenaar van de geschoeide voeten, en riep: “Hé Hoessein kan je net zo goed strijken als wassen?” Hij dook met een brede grijns op vanachter de was. “Laat je jalbaab eens zien Hussein,” zegt schoonzus die sinds zijn komst in een moeder rol is geschoten. Het kledingstuk, in gebruik bij feesten in de moskee, hing neerslachtig naast een trainingsbroek in miezerende regen. Maar Hussein houdt het opgewekt tegen zijn borst op ons verzoek. Wij prijzen de kleur van de stof en de elegance van de lijn en vinden dat de jalbaab een verrijking is van zijn garderobe.
twee religies
Hussein, Ivoriaan zonder paspoort of legitimatie, kwam als tiener naar Europa. Nu is hij een dertiger en al enige jaren ‘in de familie’. Op een dag vond schoonzus hem voor haar deur op straat liggen. Uitgeprocedeerd, uitgeput.Geestelijk in de war. Ze gaf hem geld voor nachtopvang. Maar nachtopvang kon hem niet houden. Spoedig lag hij weer voor haar deur. Ze zette een tent op in de tuin. De politie kwam kijken na een telefoontje uit de buurt. Een kamperende vreemdeling in de tuin was verboden. Schoonzus nam hem in huis. Sindsdien is er een lange weg afgelegd langs instanties en diensten, advocaten, en rechterlijke macht. Daarmee kom je niet ver in het Nederland van nu. Een profijtelijker weg die ze als huisgenoten met elkaar zijn gegaan is de weg van het geloof. Twee religies in een huis. Een klein huis waarin ze elkaars feestdagen niet uit de weg kunnen gaan. Ze vonden praktische oplossingen. Schoonzus doet Ramadan en het Suikerfeest mee. En Hussein krijgt Kerstmis en Pasen in zijn pakket. Vanuit twee lege eierdoppen aan het paasontbijt spreken ze met elkaar via vinger-dierpoppen. Een uil en een eekhoorn. Schoonzus vindt haar huisgenoot een wijze uil en zichzelf een eekhoorn die van nootje naar nootje springt. Het gesprek tussen de dieren gaat ongeveer als volgt:
Uil: Ik kan in het donker zien. Eekhoorn: Hoe komt dat? Uil: Omdat ik veel bid. Ik ga in mijn binnenkamer en daar ontmoet ik God. Eekhoorn: Ik ben beweeglijk. Een uil zit te zitten Uil: Eekhoorn moet wat meer tot rust komen en tijd nemen voor de binnenkamer. Eekhoorn: Goed idee Uil, jij mag wel wat meer je vleugels uitslaan.
"Dit soort samenspraak gaat indirect over het geloof," vindt schoonzus, "dat geeft een opstandingsgevoel. De kern van Pasen."
slakjes
Toen was het tijd om de cadeaus te geven aan de broer die jarig is. Schoonzus komt met boeken en een bos bloemen die zij uit een vaas haalt en overhandigt. “Mooie bloemen zeg. Krijg ik de vaas niet?” “Die vaas hoort er niet bij.” “Nee? Jammer.” Hussein dubbel vouwend van het lachen brengt met moeite uit: “ Wat ben jij een grappige man.” De vrolijkheid wordt nog groter als wij het boek bekijken dat Hussein heeft gegeven: De ark van Noach met een eenlettergrepig gedicht over de zondvloed van Jacob Revius. In het boek krijgen slakken speciale aandacht. Het hondje dat als eerste zijn snuffelneus buiten de deur steekt als het land is droog gevallen na alle regens, die God in gramschap uit de hemel op de mensheid liet neerstorten, en kwispelend voor Noach de ark uitspringt, wordt zeker niet op de voet gevolgd door de species slak. De ark is al helemaal leeggestroomd, alle dieren bevinden zich in een verwarde kluwen op de rots waarop de grote overlevingsboot is vastgelopen, maar dan verschijnen er tot slot van het slot twee stipjes op de massieve drempel, voelhoorntjes fier omhoog.
vertrouwen
Thuis overdenk ik de symboliek van deze ochtend. Een verloren stipje op de immense ski vlakte van onze planeet blijkt een babyslakje dat met voortvarendheid, niet bekommerd om snelheid zich in de ruimte begeeft. Volmaaktheid in de schepping. Kwetsbaarheid is niet alleen toegestaan maar is noodzaak om te ondervinden wat geest is. En de derde factor: vertrouwen. Ik zie ‘onze’ asielzoeker voor me. Hoe hij daar zat, Louis, na het bezoek aan zijn advocaat in Rotterdam vorige week donderdag. Wat dacht hij, wat voelde hij nu de rechter het beroep tegen een onrechtvaardige vorige beslissing heeft afgewezen, en door de nieuwe wet nooit uitvoering is gegeven aan de eis van de rechter daarvoor om nader onderzoek te doen omdat de aangevoerde gronden voor uitzetting niet deugden. Dat was drie jaar geleden. Wat denkt hij, nu alleen beroep bij de Raad van State nog open staat en eventueel het Europese Hof. Wegen die geen echte opties zijn. Begrijpt hij de situatie? Wat gaat hij doen? "Ga je praten met de mensen die je een stageplek hebben gegeven; met je studiebegeleider. Ga vooral praten met de mensen van Kongo Docu …" Ik weet niet of hij mij hoort. Op het door late zon overmeesterde terras waar hij een tosti eet voordat hij een lange reis met trein en bus terugmaakt naar het asielzoekcentrum aan het andere eind van het land, waar zijn vrouw en kinderen op hem wachten, zegt hij ineens: “Weet je mijn vader zei : een man weet altijd wat hem te doen staat.” Hij grinnikt , zegt dan ernstig: “ Ik heb geen moord begaan, ik ben geen dief. Ik heb vertrouwen.” Eindelijk begrijp ik dat dit niet de woorden zijn van iemand die de werkelijkheid ontwijkt, maar van iemand die van een werkelijkheid wegkijkt, die niet deugt. Woorden van een uil die op zijn tak zit en in het donker kan zien.
Uit Israel en de Palestijnse gebieden krijg ik mails over de oorlog. Ruth Morris, een tolk in Jeruzalem, is met een blog gestart. De blog heeft de naam van haar hond Daisy. Met ima als uitgang, – moeder in Hebreeuws; Daisyima’sblog. Een kwispelend dier, Daisy -ik ken haar- slim; oplettend, speels, jong. Het moederlijke appel komt van het vrouwtje. Ruth gebruikt haar onschuldige lieve hond als medium om commentaar te geven op deze Meest Onnodige Oorlog. En Ruth, die vanaf 16 juli tot 22 juli 60 uur op het kantoor van CNN heeft getolkt voor de minister van defensie, de minister van buitenlandse zaken en de premier, en almaar politieke en militaire cijfers van Hebreeuws naar Engels vertaalde, verzuchtte na afloop door spreekbuis Daisyima: Oh mr. Olmert and mr. Peretz, it is all very well to say that this time things will be different from 1982, but the Lebanese quagmire (moeras) may well engulf you.
oorlog zonder naam
In het noorden van Israel heeft 30 tot 40 procent van de bevolking z’n huis verlaten en ook in Safed trekken veel mensen weg. De katten en honden van Safed moeten nu voor zichzelf zorgen, dacht Ruth bezorgd. De eigenaar van de plaatselijke dierenwinkel, Zohar, zag bekommerd zijn voorraden honden- en katteneten slinken zonder hoop op nieuwe aanvoer tot Ruth zich aangordde, en vanuit Jeruzalem hem tien grote zakken brokken bracht voor felix en canis. "Laat de oorlog voorbij zijn voordat deze zakken leeg zijn," wenste ze hem en zichzelf ten afscheid toe.
"The wind that is blowing is a very ill one," schreef Ruth afgelopen vrijdag. "De oorlog die Israel nu voert heeft nog steeds geen naam." Thuis praat zij met haar man David, schrijver en fotograaf, over de oorlog. De gestelde doelen zijn niet haalbaar. Hezbollah ontwapenen en ontmantelen kan niet slagen. Wanneer hebben reguliere legers een einde kunnen maken aan een oorlog die door guerillastrijders wordt gevoerd? "Helaas," schrijft Ruth," leven wij temidden van rabiaat extremistische Jeruzelamieten, zowel joods als arabisch." Het is niet verwonderlijk dat in zo’n situatie, waarin het gebruik van geweld wordt gepropageerd en toegejuicht als enige oplossing, andere stemmen zalf op een stekende wond zijn. Ruth laat zulke journalisten in kranten aan het woord op Daisy’s blog. Ze schrijft: "Yossi Sarid, de linkse politicus, journalist, commentator, had een artikel in Haaretz vanmorgen. Toen ik het wilde overnemen, was het niet langer gepost." Gelukkig vond ze het artikel nog in een tijdelijk internetdossier. "Wie het artikel heeft verwijderd van de website van de krant … daar zal ik niet achterkomen." En andere journalisten, zoals Yigal Sarena in Yediot Achronot, die schrijft dat wijsheid altijd komt na de vernietigingen en na de rouw, wanneer een hoos aan boeken en rapporten neerwervelen om aan te tonen welke domme vergissingen zijn gemaakt. "Dat we weer in een val zijn gelokt, en hoe dat andermaal tien, twintig jaar zal nemen om ons daaruit te bevrijden."
gedicht
Tanas is een ander verhaal. Hij is een Palestijn die woont in Betlehem en werkt in Jeruzalem. Hij vindt dat de jeugd van nu het samen moet gaan maken; zij zijn de volgende generatie Israeli’s en Palestijnen. De bestaansrechten van beide volken moeten worden gerespecteerd. Zo’n overeenkomst zal er komen want joden en Palestijnen zullen alle twee blijven. Ze zullen hoe dan ook moeten leren met elkaar te leven. Daar is geen weg omheen. Tanas zond een gedicht door dat hij die ochtend in zijn mailbox had gevonden. Een lang vers van Edna Yaghi "die", meldt de mail, "soldaat is geweest in het Israelische leger". I am the Israeli / I am the focus of Palestinian fury/ I caused the Palestinian Diaspora and the exile / I refuse to provide Palestinian travel documents / And I deny the owners of the land I stole, / Rightful possession of an ID card / / En: I am the Zionist officer / Slapping young Palestinian men across their faces/ I humiliate them at every crossroad / every bypass, and every checkpoint / but no matter how hard I try, / I cannot / take their identity away from them, / Yet my own identity / Slowly slips away into oblivion. //
Deze regels beschrijven frappant hoe het optreden van Israelische soldaten in de gebieden wordt ervaren door de Palestijnse bevolking. Dat het gedicht als geheel een lange litanie is van ‘de Israeli’ over zijn schuld aan het lijden van de Palestijnen, is balsem op de wonden, toegebracht aan het Palestijnse gevoel van eigenwaarde, zelfrespect en rechtvaardigheid. ’De Israeli’ als bezetter is meer dan zijn antagonist de verliezer van zijn eigen identiteit. Ook daar valt veel voor te zeggen. Het verbaast dan ook niet dat Tanas dit gedicht heeft opgevat als een verrassend mea culpa, een erkenning van een Israelische dichter, die weet waar hij het over heeft - hij was militair - van aangedaan onrecht. Tanas schrijft in zijn mail: "We moeten grote ernst maken met de inzet voor rechtvaardigheid en bidden voor vrede."
Maar onmiskenbaar is er iets mis met het gedicht. Het roept bij nadere bestudering weerzin op, en het wringt. Waar ligt dat aan? Waarom bijvoorbeeld gebruikt de auteur zulke excessieve en beladen beelden (Hitler,Holocaust, Pilatus, Judas, Herodes) en associeert die met ‘de Israeli’ in zijn gedicht. En wat heeft de angst voor een gereïncarneerd Sodom en Gomorra hier te zoeken? Is ‘de Israeli’ een vrome jood die de westerse levensstijl ver van zich werpt? Ik heb het gedicht van mijn website gehaald. Eerst meer informatie zien te krijgen. Tanas kon niet helpen. Hij had gewoon doorgezonden wat hij had ontvangen.
Zondag ,30-7: Sinds kort weet ik dat de dichter Edna Yaghi heet, in Amman woont en Jordaanse is. De identiteit van de Israelische dichter-soldaat is vals. Ik vond haar naam op een poëzieweb. Ik heb om meer informatie gevraagd. Misschien komt die nog. Intussen is het gedicht ’ I Am The Israeli ’ onderdeel van een kettingmail. Iedereen die het ontvangt leest ook regels als: I am the new Hitler/ Out to slay the innocent // . En: I quickly retaliate by shooting to kill / the Gentile children /The infant PalestinianDavids//
valstrik
Een schrijver is vrij om een poëtisch ik te scheppen waar en wanneer hij maar wil. Een Palestijnse dichter kan in de schoenen van een Israelische soldaat gaan staan. En omgekeerd, een Israelisch auteur in de schoenen van een Palestijn. Maar om als Palestijns auteur een in de grond antisemitisch gedicht te schrijven, en voor te geven dat een Israelische dichter de maker is van het vers, is in strijd met de afspraken over auteurschap. Iemand kan onder synoniem publiceren. Maar dit is anders. Hier wordt de eigen naam gebruikt met een bewust misleidende omschrijving van de identiteit. Hier wordt een valstrik gespannen waar veel mensen intuinen. Dat is precies de bedoeling. Een gefingeerde Israelische dichter verwoordt in de Palestijnse gebieden heersende opvattingen over ‘de Israeli’ , en doet het voorkomen alsof deze dichter het opneemt voor de Palestijnse publieke opinie tegenover de gangbare mening in Israel. Een dichter, die een beetje goed is, zal zich nooit voor zo’n karretje laten spannen. Hij verwoordt immers ’de dingen van de dichter’. Die kunnen over politieke onderwerpen gaan, maar nadrukkelijk nooit over propaganda zonder dat de dichter daar de eigen gedachte en beeldspraak naast zet.
Waarom zou Yaghi zichzelf presenteren als een gewezen Israelische soldaat? Waarom zouden anderen dat doen in haar plaats? Het maakt een heel verschil of een Israelische auteur een ‘ ik klaag mij zelf aan’ – gedicht schrijft of een Palestijnse auteur (in Jordanië wonen veel Palestijnen) dat voor hem doet. Bij een Israelische auteur denk je niet direct aan antisemitische propaganda. Je denkt misschien als het sterke termen taal is dat de persoon doordraaft, zichzelf opzettelijk pijnigt, lichtelijk gestoord is of een niet tot in alle finesses te volgen geweten heeft. Maar als blijkt dat de auteur Jordaans is en voorgeeft Israelisch te zijn, vermoed je meteen een dubbelzinnige bedoeling. Aanwakkeren van haatgevoelens bijvoorbeeld. Agitatie propaganda, meestal geïnfecteerd door antisemitisch materiaal uit het rijk van Hitler. Een virus dat in de Arabische wereld vrijwel onbestreden kan huishouden. Een sluipend gif dat overal in kruipt en geen middel schuwt. Een schrijver, die zich als iemand anders voordoet met de bedoeling een verkeerde voorstelling van zaken te geven, is verwerpelijk.
Deze achtergrond maakt het hele gedicht jammer genoeg waardeloos. Wat het aan zeggingskracht heeft gaat verloren. Niemand neemt meer serieus wat onmiskenbaar feiten zijn. Israelische soldaten, die in langzaam heen en weer rijdende jeeps op vrijdagen rond 1 uur voor het Asa vluchtelingenkamp in Betlehem, wanneer de moslimjeugd vrij is, en op straat, de jeugd tot stenen gooien provoceren. Gevolgd door militair machtsvertoon of schieten. I quickly retaliate by shooting to kill/ ( ) /The infant Palestinian Davids. Maar het gebrek aan integriteit van de schrijver schiet hier helaas in eigen voet. Bedroevend genoeg. Een gemiste kans om betrouwbaar te zijn in verzetspoëzie. Zo is het nu eenmaal; bewuste misleiding is onderdeel van de tactiek, die behoort tot de propaganda, die weer behoort bij het conflict. Zoals deze oorlog zonder naam (’crisis’, zegt men in Israel eufemistisch) een gevolg is van het conflict tussen Israel en de Palestijnen. En meer speciaal tussen de religieus militante extremisten in Israel en de Palestijnse Gebieden. De bevolking hongert intussen, zonder hoop op verbetering, naar een normaal bestaan met werk, inkomen en toekomst voor de kinderen. Inderdaad: een zieke, heel zieke wind.
Op 1 juni een jaar geleden plaatste ik de eerste ‘post’ op mijn weblog. Het ging over folderen voor de volksstemming voor het Europese grondwettelijke verdrag. Onze politieke leiders wilden ons op een ondoorzichtig eliteproject laten stemmen.
Europa
Mijn avondkrant schrijft tegenwoordig druk over hoe de impasse die daarop volgde kan worden doorbroken. Het kabinet is er minder druk mee. Na een jaar bedenktijd hebben de ministers van Buitenlandse Zaken besloten tot nog een jaar nadenken. Een langs de lidstaten reizende Franse gezant verzamelt informatie om zijn regering te adviseren over een vervolgstap. Fransen zouden anders in het nee staan dan Nederlanders. In Frankrijk zou het volk niet zozeer bezorgd zijn over in het gedrang komende democratische processen met Brussel aan de macht; het werd vooral gedreven door praktische redenen van welbegrepen eigenbelang. Met een dikke vinger in de Brusselse pap verdwijnt die weerstand, wordt nu gezegd. En het heet dat Nederland vooral heeft tegengestemd vanwege een diepe identiteitscrisis. Die almaar voortduurt. In elk geval zal ‘Europa’ ook nu niet van belang zijn bij de komende Tweede Kamerverkiezingen, die trouwens vermoedelijk vervroegd zullen worden gehouden omdat het Kabinet vanavond is gevallen. Daarentegen zijn economie, publieke dienstverlening en identiteit veel belangrijker, stond in mijn ochtendkrant. Welke identiteit wordt hier bedoeld? Als het om de nationale identiteit gaat dan staan we er als volk beroerd voor. Tenminste indien je als burger je identiteit wilt ontlenen aan een politiek handelen waar een regel-is-regel beleid wordt ingegeven door een nieuw soort kittelorigheid en bekrompenheid. Een beleid dat de vreemdeling met mokerslagen treft. Daar komt nu dus misschien een eind aan dankzij het volhardend optreden van D66 fractievoorzitter Lousewies van der Laan. Die zei het niet langer te kunnen accepteren dat de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, die gaat over gevoelige dossiers van mensen die van haar afhankelijk zijn, haar macht misbruikt. De regering moest van haar fractie kiezen tussen coalitiepartner D66 of minister Verdonk.
polderidentiteit
Ayaan Hirsi Ali ( ondanks alles opgelucht om de uitweg die een gang naar de rechter overbodig maakte – ze wilde graag door met haar leven – ), zei eerder deze week vanuit haar nieuwe werkplek, het American Enterprise Institute in Washington, dat zij door haar handtekening te zetten onder een document waarin zij verklaarde met haar uitspraken in Zembla de minister op het verkeerde been te hebben gezet, een echte Nederlander te zijn geworden. Dat had niets met het behoud van haar paspoort te maken. Zij leek te bedoelen dat zij als een echte Nederlandse politicus wist te polderen en compromissen te sluiten. Zij handelde pragmatisch en niet principieel. Maar Nederland ligt achter haar. Daar had haar snelle handtekening ook mee te maken. In de nieuwe wereld onbekende mogelijkheden exploreren. Internationaal opereren. Vooruit kijken niet achterom. De deur van het kooitje is opengezet en de vogel kan vliegen. Vrijheid van discussie met als enige vereiste dat meningen met argumenten worden onderbouwd. Rust om te werken aan een boek waarin de profeet spreekt met westerse filosofen over onderwerpen die het Islamisme uit zijn politieke kluisters moet bevrijden. Dat alles geeft lucht aan haar ambities. En Europa? Europa moet het nu maar zonder haar doen. De Verlichting zal ze meenemen. En de vrijheid van meningsuiting ongetemperd door schipperen. Worden wij nu van haar bevrijd of doet het ook pijn? Good riddance en toch spijt om haar te verliezen? Ze blijft Nederlandse en ze zal –het zit in haar bloed – blijven sleutelen aan haar en onze identiteit.
jaargang
Ik heb niet voorzien dat ik een jaargang vol zou maken. Ik begon gewoon zonder daarbij veel na te denken. Onder protest in het begin maar webmaster stond er op dat het gebeurde. “Een persoonlijke website kan niet zonder een weblog,’’ probeerde hij mij over de streep te trekken en te verplichten aan het grootste tot niets verplichtende cyberspace evenement van deze tijd. Met het gebruik ervan is het gesteld als met de mores in het Wilde Westen. Met je pen is het vrij schieten behoudens de beperkingen die je daarbij zelf oplegt. Een meeuw zijn en de ruimte toebehoren, schreef Weremeus Buning. Zo voelt het als je van luchten houdt. Je schrijft, maar niet voor een krant met een richting of kleur; je wordt gelezen maar je weet niet door wie. Geen idee in welke bovenlaag, middenlaag, onderlaag, sublaag de lezers zich bevinden. Of welke leeftijd ze hebben. Je weet alleen dat ze RSS gebruiken om op de hoogte te blijven van nieuwe posts. “Dat soort lezers,” zegt webmaster (hij is er zelf een), “stelt voor hoogst persoonlijk gebruik zijn eigen krant samen uit wat in het publieke domein virtueel verschijnt.”
los haar
Achteraf gezien is het schrijven van weblog stukjes geen argeloze bezigheid. Heel moeilijk is het niet: onderwerpen genoeg. Keuzes maken is lastiger. Soms is het onderwerp een natuurlijke vanzelfsprekendheid, soms moet je tot een onderwerp komen; of je wordt er toe gedreven. Sommige onderwerpen winnen door een tijdje liggen. Of worden door de gebeurtenissen en de commentaren daarop meer en meer aan het zicht onttrokken. Voorbeeld: Rita Verdonk en de niet-aanwezige aanwezige vreemdeling. In december schreef ik een kerstverhaal over een minister die strikt maar rechtvaardig beleid voert in het land van de Kleibuiters, Klimkruiers en Uitwijkers. Hoe loopt het af? Ik weet het niet. Situaties wisselen in samenhang met coalities van partijen. Pas als ik schrijf vallen me dingen op die tevoren verborgen waren. Zoiets als het vallen van het haar van fractievoorzitter Lousewies. Toen ze als coalitiepartner namens haar partij het vertrouwen opzegde in het Kabinet dat had gekozen voor handhaving van omstreden minister Rita Verdonk ( die de moeilijkste portefeuille beheert; in elk geval de meest in het oog lopende aangezien het meervoud van honderden burgers zich de laatste jaren over asielzoekers heeft ontfermd voor wie het verblijf hier net zo bedreigend is geworden als het gevaar bij terugkeer in het land van herkomst), droeg ze het haar opgestoken. Na het beraad van de ministers, terug in de Kamer, hing het los. Ter onderstreping van een krachtig werkend besluit? Als uitdrukking van zakelijkheid in combinatie met het lef om te hebben gesproken tot het gemoed? Als zegeteken nu de heersende ontevredenheid in de achterban beslag had gekregen in een vers politiek feit?
Voorzeker mag je hopen dat in losgelaten haar de wind van herziening vrij spel heeft. Dat asielzoekers niet meer de dupe zijn van een absurd uitpakkend beleid. Hirsi Ali was door strikte toepassing van de regels stateloos geworden. Het precedent Ayaan Hirsi Ali dat nu op tafel ligt vraagt om aanpassing van de vreemdelingenwet. Eerst de bagger van ons bord. Misschien komt het dan nog goed met die diepe identiteitscrisis.
Al dagen kleeft er een oranje bolletje tegen de rand van een keukenplank. Hoe het daar komt? Wat het is? Pas nadat ik in de krant las over de mevrouw met drie knalgrote oranje wuppen op haar motorkap, die volgens de bekeurende agent haar het gezicht op de weg ontnamen, ging mij een licht op. Dat oranje fantasiegevalletje, oranje pluisdingetje dat als een vlo aan de huid zich had vastgezogen, was een WK- nesteling en het nieuwe verkleinwoord luidde: wupje.
Ruben
Kleinzoon Ruben was toch niet op een stoel geklommen? Daar was hij nog niet aan toe om plakkendingetjes te bezitten met de bedoeling die ergens aan te kleven. Hij loopt met stijve rechte beentjes met de wijsvingertjes in de lucht gestoken, klaar om ze te richten op een voorwerp die-die dat zijn aandacht trekt, of om die garnalen op knopjes te laten landen, in te drukken, uit te trekken en te schuiven.Misschien zijn vader? Die is in Frankfurt geweest om Nederland-Argentinië te zien. Ik heb het wupje laten zitten, het is wel passend nu ik bijna drie hele wedstrijden heb uitgekeken. En zelfs in mijn avondkrant de voetbalverslagen lees. Heel wat voor iemand die ooit het toonbeeld van de antisupporter is genoemd.
Van de laatste wedstrijd van Oranje tegen Portugal flitsen nog de rode en gele kaarten voor mijn ogen. De ploegen zijn samen kampioen geworden. Een record aantal kaarten gehaald. Van de 45 minuten in de tweede helft zijn er twintig minuten gespeeld. Men lag voortdurend en vaak in kluwens op de grond. Tackelen, sliden, duwen en trekken: een bundeling van keihard aangespannen spieren vol voor de lens. Vooral valt op hoe spelers die met elkaar in duel zijn het spel aanpakken. Oorlog en vrede. Op een hardhandig onderuithalen volgt de verzoening. Een stoere streling in de nek. Met de mond wordt oorlog gevoerd en vrede beleden. Ik zag hoe een speler de tegenpartij aansprak op een lichaamsdeel, hem toevoegde dat hij er niets van kon en hem vol in het kruis greep waarop de ontvanger binnen de band van zijn voetbalbroek het zaakje weer goed legde. Een ruiterlijke mannenwereld. Een onnaspeurlijk kop-op-kopstoot gevecht. Een soort oer al ontrolde zich voor het oog. Nooit eerder de sappigheid van de sport op deze manier ontwaard. Alsof ik jaren lang heb geslapen als ik wel eens keek bij een WK.
Bremen
In Bremen waar we zaterdag een bruiloft vierden waren de straten uitgestorven op de bruiloftsgasten na. Duitsland won met 2-0 van Zweden tijdens de kerkdienst. Tussen de bedrijven door werd de stand bijgehouden. Maar die bleef onveranderd 2-0. Duitsland was door en Duitsland-Engeland lag in het verschiet. Intussen werd de binnenstad van Stuttgart door Engelse hooligans verbouwd. “ In Frankfurt zag alles oranje,” zegt een Duitse bruiloftsgast met een kleintje koffie in de hand. Ik knik: “Agressieve kleur.” “Als het elftal ook maar agressief is,” zegt hij gevat. De enige andere Nederlandse aanwezige antwoordt: “ We spelen graag tegen Duitsland, maar we vrezen de Portugezen.” Hartelijk gelach. Een mevrouw laat een foto rondgaan van een pas geboren kind dat op zijn buikje in de wieg ligt met op het rugje het zwartroodgeel van de gekte. Iemand zegt: “ Sind sie in Holland auch so verrückt?” “Als we van de Portugezen verliezen,” antwoord ik, “ doen we in Holland alle oranje gespoten cavia’s in bad.”
Zondagavond was het zover; de cavia’s konden in bad: voor Holland was het toernooi voorbij. Duitsland zal - als alles voor hen goed blijft gaan -’ohne Holland nach Berlin fahren’ zoals het supportersvolk vol overgave op de tribunes zong. Maar de bruiloftsgasten in Bremen, gevoelig voor gevoeligheden, gaven de indruk dat ze niets liever deden dan met Holland in de finale uit komen. Oranje een agressieve kleur? Als ze ook maar agressief spelen! Time out tot 2008.